Leestijd: 5 min

Hersenonderzoek: niet altijd is alles wat het lijkt

Het brein is de machinekamer van het lichaam. Het stelt mensen in staat om onmogelijk geachte dingen uit te voeren en is daarom voor veel wetenschappers een geliefd onderwerp voor onderzoek. Maar pas op met al te rooskleurige berichtgeving van deze onderzoeken. Volgens Saxion-docente Sandra Van Aalderen is het niet verkeerd een kritische houding tegen berichtgeving over hersenonderzoek te ontwikkelen.

Hersenonderzoek: niet altijd is alles wat het lijkt

Hersenonderzoek: niet altijd is alles wat het lijkt
Foto: Jesse Orrico/Unsplash

Sandra van Aalderen is gepromoveerd in de cognitieve neurowetenschappen en kent het menselijk brein daardoor goed. Enkele jaren geleden maakte ze de switch naar het onderwijs en sinds januari 2017 werkt ze voor Saxion op de Pabo in Deventer. Ze legt het belang van een kritische blik uit: "Er worden tegenwoordig regelmatig deskundigen ingeschakeld, bijvoorbeeld in de rechtbank. Op basis van een hersenscan kan zo'n expert aangeven of een verdachte bepaalde afwijkingen heeft die zijn gedrag verklaarbaar maken. De resultaten van de scan kunnen worden vergeleken met die van mensen met dezelfde afwijking."

Daar schuilt volgens Van Aalderen het gevaar. "De hersenscans van anderen zorgen voor een gemiddeld beeld, maar geven geen honderd procent zekerheid dat iemand die hetzelfde beeld vertoont met dezelfde afwijking kampt. Daardoor blijft het risicovol. Een kritische blik ten opzichte van de toepassingen van hersenonderzoek is daarom zo belangrijk, omdat er anders beslissingen kunnen worden genomen die zijn gebaseerd op misleidende informatie. Daardoor kunnen mensen onterecht beschadigd raken."

Zelf werd Van Aalderen al op jonge leeftijd gegrepen door de magie van het menselijk brein. "Toen ik op het vwo zat hoorde ik dat mensen die ziek zijn en daar met een positieve instelling mee omgaan een grotere kans op herstel hadden. Het intrigeerde mij hoe geest en lichaam elkaar kunnen beïnvloeden." Van Aalderen studeerde daarop biologische psychologie in Maastricht en ging daarna door voor haar wetenschappelijke promotie. Samen met twee andere onderzoekers schreef ze bovendien het in 2015 verschenen boek 'Kijken in het brein'. Daarin wordt op een toegankelijke manier uitgelegd waarom we sommige mooie krantenkoppen over de hersenen gewoon niet moeten geloven en ook wat we dan wel kunnen verwachten van modern hersenonderzoek.

Jongens vs meisjes

Een van de onderwerpen die ook in de huidige tijd, waarin genderneutraliteit gesprek van de dag is, heel actueel is, is het verschil tussen mannen- en vrouwenhersenen. In het boek van Van Aalderen en haar collega's wordt onder andere ingegaan op een rapport van een onderwijsadviesdienst dat pleit dat jongenshersenen heel anders zouden werken dan meisjeshersenen en dus anders onderwijs zouden moeten krijgen. "Dat is een terugkerende discussie", zegt Van Aalderen. "Een aantal jaar is er gepleit voor gescheiden onderwijs, daarna weer een hele tijd niet. Als je naar de hersenen van jongens en meisjes kijkt, zijn er inderdaad verschillen gevonden, bijvoorbeeld in de doorbloeding van de hersenen. Het aantal overeenkomsten tussen het jongens- en meisjesbrein is echter veel groter. In de onderzoeken wordt de focus vaak gelegd op de verschillen, omdat dat interessant wordt gevonden. In mijn ogen zijn de verschillen echter zo klein, dat deze geen basis vormen om gescheiden onderwijs in te voeren."

Dat een kritische blik in dergelijke onderzoeken noodzakelijk is, blijkt uit het boek van Van Aalderen. Het rapport dat wordt aangehaald werd in 2012 geschreven door onderwijsadviesbureau APS en bleek deels gebaseerd op het werk van Michael Gurian. Een Amerikaanse bestsellerauteur zonder neurowetenschappelijke achtergrond die vooral naar zichzelf verwijst als bewijs voor zijn beweringen. Hij baseerde zich deels wel op onderzoek naar de doorbloeding van mannen- en vrouwenhersenen van professor Ben Gur uit 1982, maar trok dit onderzoek uit zijn verband. Verder testte Gur volwassen mannen en vrouwen in plaats van pubers. Bovendien gaf hij aan dat het belangrijk was dat de verschillen tussen beide breinen met andere technieken nog verder uitgezocht moesten worden, omdat uit dit enkele onderzoek nog weinig conclusies getrokken konden worden. Van Aalderen en haar collega's schrijven daarover in hun boek: 'Een weinig specifiek onderzoek met een verouderde techniek dertig jaar na dato wordt gebruikt voor een overheidsadviesrapport met zeer specifieke aanbevelingen voor beleid'. Reden genoeg om het onderzoek met een korreltje, of misschien beter een flink pak zout te nemen.

Gebruik van hersenen in het onderwijs

Geen plek waar de hersenen zo belangrijke rol spelen als in het onderwijs. Door haar switch van hersenonderzoek naar het onderwijs heeft Van Aalderen gekeken waar kansen liggen om haar kennis van de hersenen te combineren met het onderwijs. Wat haar verbaasde is dat zoveel docenten weinig kennis hebben van het brein, terwijl zij voor de klas staan om het brein van studenten en leerlingen te trainen en veranderen. Zelf is Van Aalderen voorstander van activerend onderwijs, in plaats van alleen maar hoorcolleges. "Want van alles wat je wordt verteld blijft maar een klein deel hangen. Als je je hersenen niet actief gebruikt verandert er niet veel in de organisatie van je hersenen en zal je dus ook niet veel leren."

Van Aalderen stelt bovendien dat kinderen in het onderwijs baat hebben bij een positieve mindset van hun begeleiders. Dit komt de leermotivatie van kinderen ten goede. "De hersenen zijn plastisch. Nieuwe informatie zorgt voor een verandering in de organisatie van het brein. Hersenverbindingen veranderen door ervaring. Dat betekent dat je in alles beter kunt worden. Als een docent of ouder tegen een leerling zegt 'Het maakt niet uit dat je niet goed in wiskunde bent', heeft dit effect op het zelfvertrouwen en motivatie van een leerling, waardoor ze minder moeite zal doen om het te leren. Maar als een kind wordt gestimuleerd om door te gaan en te blijft oefenen, dan zal het kind ook daadwerkelijk beter in wiskunde worden. Ze leren omgaan met tegenslagen omdat het in eerste instantie niet lukt, maar door hulp te vragen en te blijven oefenen lukt het uiteindelijk wel. Dat werkt in het basisonderwijs zo, maar ook zeker in het hoger onderwijs."

Oefening baart dus kunst. Een wijze les voor iedere student. Al geeft Van Aalderen wel aan dat je niet eindeloos door moet blijven ploeteren als je het gevoel hebt dat je niet op je plek bent bij een bepaalde opleiding. "Nee, als je een studie kiest en je komt erachter dat deze totaal niet bij je past, dan is het beter om toch verder te kijken."

Lees ook: